Schrijfsels

Wedstrijd (Of je slaat gewoon wel hard)

Wedstrijd (Of je slaat gewoon wel hard)

Op mijn favoriete boomstronk zit een man. Hij zit voorovergebogen met zijn hoofd in zijn handen. Hij draagt een gekreukeld streepjesoverhemd met opgestroopte mouwen en een corduroybroek. Tegen een boom aan staat een fiets. Een ouderwets herenmodel. Op de bagagedrager een versleten bruine aktetas, vastgemaakt met een spin. Ik denk meteen: uitgebluste aardrijkskundeleraar. Tegen overspannenheid aan. Na jaren tevergeefs geprobeerd te hebben ongemotiveerde snotpubers te interesseren voor grondsoorten en klimatologische tabellen.

Ik kom graag in dit bos. Liefst doordeweeks want dan kom je zelden iemand tegen. Ik kijk om me heen of ik een hond zie die bij deze treurende man hoort. Ik zie er geen. Kaas is naar de man toegerend en springt tegen zijn benen op. De man kijkt op en met zijn handen omvat hij liefdevol de kop van Kaas. Kaas likt zijn gezicht. Instant vriendschap. Mede mogelijk gemaakt door Kaas’ hang naar zoute dingen. De man pakt een zakdoek, en terwijl hij zijn gezicht afveegt kijkt hij mij aan. ´U zult wel denken´, begint de man, ´maar ik zit hier te treuren omdat mijn vrouw mij gisteren het huis uit heeft geschopt. Letterlijk.´ Kaas kijkt naar de man en dan naar mij. Ik bedenk koortsachtig hoe ik zo snel mogelijk van deze man af kom zonder onbeschoft te lijken. ´Het was al mijn derde huwelijk. Ik heb geen flauw idee wat ik steeds verkeerd doe.´

´Mijn vrouw, of nu eigenlijk ex, zegt dat ik me niet kan binden, dat ik mijn verantwoordelijkheid nooit neem´, vervolgt de man ongevraagd. Ik hum en tsjonge jonge een beetje met de stroom mee. ´Ze beweert dat er niet met me te leven is en dat dat door mijn slechte jeugd en mijn gestoorde familie komt.´ Kaas heeft nu wel gezien en loopt bij ons vandaan verder het bos in. Op zoek naar bosdingen die onweerstaanbaar zijn voor avontuurlijk aangelegde hondjes. Ik hoop niet dat de man mijn gefingeerde empathie interpreteert als een aanmoediging om alle drie de gestrande huwelijken eens gedegen met me door te nemen. Ik heb pech. De man is op dreef.

´Mijn andere twee exen dramden ook zo door over mijn jeugd en beweerden dat ik als mishandeld kind nooit volwassen ben geworden.´ Hij vertelt over zijn hardvochtige vader en ziekelijke moeder. De haast dagelijkse dronkenschap van zijn vader. Over de regelmatige pakken rammel en de vuistslagen die hij kreeg en de onuitsprekelijke dingen die een oom in de slaapkamer met hem deed. ´Maar meneer, dat is toch het verleden?´, komt hij tot de slotsom. Ter onderbouwing heft de man zijn handen, in de vorm van verbijsterde kommetjes, op naar de hemel. Ik zeg: ´Tja, tisnogalwat, levensvragen hè?´, draai me om en ga een potje naar boven staan te turen. ´Ziet u dat de lucht dicht trekt?´ De man zwijgt. Missie geslaagd.

´Het gaat snel regenen´, steek ik Buienradar naar de kroon. Ik bestudeer de lucht en de wolken omstandig en priem een natgemaakte wijsvinger meteorologisch de lucht in. Je kunt tenslotte maar beter weten waar de wind vandaan komt. Voordat ik kan zeggen: ´Dat dacht ik al, een straffe westenwind´, hoor ik de man achter mijn rug zachtjes mompelen: ´Ik wil niet eenzaam sterven.´ Ik draai me niet om, ik kijk wel uit. Straks moet ik hem gaan troosten. Mij niet gezien. Daarom zeg ik: ´We moeten nu echt gaan, dus wens ik u nog een fijne dag.´ De man zegt: ´Ja, ik moet ook weer eens gaan, de arbeid roep.´ Bijna antwoord ik met: ´ík hoor niks´, maar weet het gelukkig net op tijd in te slikken. Dan bedankt hij mij voor mijn luisterend oor – in mijn geval is dat mijn linker, mijn rechteroor is nogal snel afgeleid - en stapt hij op zijn herenrijwiel.

Ik kijk nog eens naar de lucht. De wolken hebben haast. Er is storm op komst. Uit het bos komt een lange knappe man met grote doeltreffende passen onze richting uit lopen. Hij draagt een stoffige zwarte pandjesjas. Als hij ons passeert tikt hij ter begroeting zijn rechterhand, die om de een of andere reden felrood kleurt, tegen de ‘flat cap’ die hij op zijn hoofd draagt. Hij doet me vaag aan iemand denken. Maar aan wie, daar kom ik niet op. De rode rechterhand zorgt voor een neurologische schakeling in mijn brein naar een gebeurtenis uit mijn jeugd. Ik kijk naar een klein litteken op de rug van mijn rechterhand. Het is rood. En het jeukt. Gebeurt altijd als het weer dramatisch gaat lopen doen. Storm. Onweer. Tornado’s. Smeltende ijskappen. Geheid dat mijn litteken gaat jeuken.

Wanneer het litteken is ontstaan weet ik niet meer precies. Waar het gebeurde en waardoor herinner ik me nog wel. Als mijn broers, zuster en ik ons misdroegen tijdens de maaltijd kregen we straf. Mijn ouders waren tuk op snelrecht en lik-op-stukbeleid. Meestal was het vonnis een letterlijke tik op de vingers. Je werd dan geacht geheel zelfstandig je eigen vingers naar de slachtbank te leiden. We moesten dan onze hand naar mijn vader uitstrekken. Met de rug van de hand naar boven. Mijn vader gaf de boosdoener dan een tik, of twee, of drie, op de rug van de uitgestrekte hand of op je vingers. Met een mes. Met de botte kant naar beneden. Dat dan weer wel. Dat ging weleens mis. Mijn vader was blind. Daardoor vergiste hij zich soms en werd de tucht uitgevoerd met de scherpe rand van het mes. En omdat mijn vader niet goed kon richten, kon die scherpe kant, of de punt van het mes, behoorlijk wat schade aanrichten.

Als ik de eerste regenspetters op mijn gezicht voel, begin ik rond te dolen in de haveloze nevel die mijn jeugdherinneringen vormen. Het brengt andere gebeurtenissen uit de krochten van mijn geschiedenis naar de oppervlakte. Ik denk aan een groter litteken. Die op mijn scheenbeen. Ik kijk om me heen. Kaas is verderop in het bos iets amechtig aan het opgraven. Ik fluit een kordaat riedeltje en onmiddellijk staakt Kaas het forensisch onderzoek waarmee hij bezig was, en rent op me af. ´Good boy, Kaas´, zeg ik tegen hem. Kaas heeft geleerd naar me te luisteren zonder dat ik ooit maar een vinger tegen hem heb hoeven opheffen.

Voor het eerst in jaren denk ik terug aan het voorval dat mij dit vleselijke aandenken op mijn been aan de relatie met mijn vader gaf. Ik herinner het in flarden. Een smalle gang. De psychedelische print op een bruinoranje jaren zeventig behang. Ik zie de deur van de wc, het eindpunt van mijn vluchtroute, dichtbij en toch net te ver weg. En ik voel een laars de huid van mijn scheenbeen openschoppen. Misschien had mijn vader de trap anders bedoeld. Op mijn reet bijvoorbeeld. Maar zoals gezegd, echt goed mikken kon hij niet.

 Het gaat harder regenen. Kaas en ik zigzaggen soepel en in een stevig tempo door het bos. Zo weten we de regendruppels te ontwijken. Want dat kunnen wij. Kaas en ik. De storm stormt in sneltreinvaart op ons bos af. De toppen van de bommen beginnen luidruchtig heen en weer te zwaaien. Als protest tegen de wind die hen teistert. Ik ga harder rennen. Kaas springt als een haastige haas achter mij aan. Hij blaft er buitengewoon blijmoedig bij. Hij denkt natuurlijk dat het een spelletje is. Na een minuut rennen ontploffen mijn longen en verandert mijn looptempo in een soort van halfslachtig joggen. We worden nu behoorlijk nat. Van ontwijken is geen sprake meer. Gelukkig zijn Kaas en ik nu het bos uit en op de parkeerplaats aanbeland. Als we samen in de auto zitten te dampen doe ik de radio aan. Ik herken het meteen bij de eerste pianotonen. ‘De wedstrijd’ van Bram Vermeulen.

‘Het jongetje zit boven op het duin.

Het is wel honderd meter hoog.

Zo hoog zat werkelijk nog niemand.

En hij ziet Engeland.’

Opeens zie ik mijn broertjes voor me. Ze hebben gestreepte pyjama’s aan. Ze hollen achter me aan. We spelen tikkertje of zoiets. Dan hoor ik mijn moeder tellen. Zij is beneden, wij zijn boven in onze slaapkamer. Ik voel weer het koude pisgele linoleum op de vloer onder mijn blote voeten. Dubbel glas en isolatie moesten nog worden uitgevonden. ´Een, twee, drie…´ De huivering. Het plotsklapse bonken van mijn hart. Ik zie het ook in de ogen van mijn broertjes. Ik zie een traan bij de jongste, de jankerd. Mijn broertjes en ik stuiven tegelijk als gekken de slaapkamer uit, de overloop op, naar de trap. Met een beetje duw en trekwerk ben ik er als eerste. Ik ben tenslotte de sterkste. Je kunt nu maar beter zo snel mogelijk beneden zijn. Want elke moederlijke tel dat het duurt voordat je beneden bent wordt ingewisseld voor een vaderlijke klap. Dus stuiteren we, drie jongetjes in versleten derdehands pyjama’s, in de hoogste versnelling over de traptreden naar beneden, recht op onze welverdiende slaag af. En op de autoradio zingt Bram:

Kijk hem zijn best doen op zijn fiets.

Hij gaat zo hard dat je n'm bijna niet ziet.

Wedden dat hij de honderd haalt.

Voor hem is dat niets.

Het is een wedstrijd.

Het is een wedstrijd.´

Kort nadat we van de parkeerplaats wegrijden passeren we de lange man met de pandjesjas opnieuw. Hij snelwandelt in tegengestelde richting langs de straat waarop we rijden. Met zijn rode rechterhand op zijn hoofd, om te voorkomen dat zijn pet afwaait. De gesteven kraag van zijn pandjasjas is omhoog gezet. De scherpe punten van de kraag doorklieven de vochtige wind als groot uitgevallen Stanleymessen door drijfnat geworden karton. De regen slaat in zijn knappe gezicht. Zonder maar een keer met zijn ogen te knipperen loopt hij in hetzelfde strakke tempo door. Nooit eerder is het werkwoord benen, in de betekenis van ‘hij beent weg’, beter verbeeld dan door deze man, die niet lijkt te vluchten voor de storm maar er eerder voor kiest recht tegen de storm in te ‘benen’. Iets in de trant van: ‘Kom maar op, klein lullig stormpje, ik lust je rauw.´ Het lijkt me een moedige man.

Mijn vader liep dagelijks naar zijn werk. Een halfuur heen en een halfuur terug. Dwars door de stad. Langs drukke wegen en door de rosse buurt. Ongeacht of de zon scheen, of het regende, stormde, sneeuwde of ijzelde. Mijn eigenwijze rechtlijnige vader liep elke dag zijn vaste route. Hij was niet het type om te kuieren. Hij wandelde met de kop rechtop in de wind en in strakke galop. Anky van Grunsven én haar paard konden daar nog een puntje aan zuigen. Op deze moedige, volhardende kant van mijn vader was ik trots. Daarbij moet wel worden aangemerkt dat hij een hulpmiddel had. Een blindenstok. Dat maakte het blinde gedraaf wel wat gemakkelijker. Het zijn tenslotte de Paralympische Spelen niet.

‘Zie je die kringen daar in 't water

Verreweg het verst van iedereen

Zeker honderd meter ver

En met de zwaarste steen.´

Ik zet mijn ruitenwissers aan. Dat is hard nodig. Er is iemand in de hemel met een hogedrukspuit aan de gang gegaan. Precies boven onze auto. Kaas en ik luisteren naar de piepkraak-skrietsj geluiden van de rubbers op de ruitenwissers. Kaas blaft tegen de voorruit. Zijn kop gaat heen en weer als een toeschouwer bij een pingpongwedstrijd. ´Rustig maar Kaas´, zeg ik, ´Er is niks aan de hand. Deze piepende stokken maken alleen maar onze ruiten schoon´.

De blindenstok die mijn vader gebruikte was van aluminium en opvouwbaar. In de opgevouwen stand werd de stok een bosje van vijf holle inschuifbare stangen van zo’n vijfentwintig centimeter. Omdat die delen doormiddel van een elastiek met elkaar verbonden waren, kon je de stangen in enkele seconden transformeren tot de lange witte blindenstok met rode reflecterende strepen die mijn vader op straat nodig had. De blindenstok was altijd bij de hand, want mijn vader bewaarde hem in de diepe zak van zijn lange donkere jas die op een vaste plek aan de kapstok hing. Waar mijn vader ook in huis was, hij kon in no-time bij zijn stok komen. Voor het geval dat de Schriftuurlijke roede niet gespaard moest worden.

Tien keer achter elkaar kan hij het al

Deze jongen kan alles met een bal

Zeker weten dat-ie tot de honderd komt

Die bal komt nooit meer op de grond Kijk maar, kijk maar, kijk maar.´

Er waren twee opties. De lange slag, dus met uitgeklapte hele stok, had zijn voordelen. Hoe strikt je je kinderen ook opvoedt, bij het vooruitzicht op de tuchtiging kiezen ze allemaal het hazenpad. Vandaar de lange slag. Een grotere kans van slagen bij wegvluchtende snotjongens. Je raakt altijd wel iets. De tweede optie, een tik met de ‘korte’ nog opgevouwen stok, werkte uitstekend als je met je andere dan je slaghand, het kind kon vasthouden. Voordeel van een opgevouwen blindenstok is het feit dat hij in die hoedanigheid kort en stevig was. Een bosje roedes als het ware. Deze slagen zijn vanwege de compactheid wat effectiever, dus hoef je er minder hard mee te slaan om het gewenste effect te hebben. Of je slaat gewoon wel hard.

´Het is een wedstrijd, het is een wedstrijd,

het is een wedstrijd die niemand winnen kan.’

Ik sta bij een stoplicht. De regen klettert op het dak van onze auto. In de verte komt er, recht voor me, een wit bestelbusje aanrijden. Het busje slingert heen en weer over de weghelften. De chauffeur heeft duidelijk moeite met de wind en de regen. Verderop op de weg voor mij zie ik een afgewaaide een boomtak liggen. Half op het fietspad en half op de weg. Het stoplicht wordt nu snel groen. Ik zie er al tegenop. Hoe ontwijk ik die tak? Wat doen tegenliggers? Wat doet de auto die achter de mijne staat? Kaas is naast mij behaaglijk in een opgekrulde donuthouding gaan liggen. Hij maakt zich niet druk om het verkeer. Hij voelt zich veilig. Domweg omdat ik bij hem ben.

Ik kom uit een groot en druk gezin. Een slootje broers en een zus aan een tafel en maar twee ouderlijke ogen die toezicht konden houden. Mijn moeder werd nogal eens overspoeld door de drukte en herrie en reageerde daar dan met heftige emoties op. Als mijn moeder sloeg was dat uit drift of wanhoop. Iets wat je als kind al vrij jong herkend. Ik kreeg honderdkeer liever slaag van mijn moeder dan van mijn vader, ook al sloeg ze in haar drift soms harder dan bedoeld. Als mijn vader sloeg was dat beheerst, doelgericht en methodisch. Voor de uitvinding van de stofzuiger was de mattenklopper het favoriete wapen van mijn ouders. Die was van riet en veerde mee. Dus was de pijn goed te verdragen.

Lieverlee evolueerde de wapenwedloop zich bij mij thuis door, via de vlakke hand, de kaasschaaf en de pantoffels, naar de kleerhanger als favoriet slaginstrument. Als je bijvoorbeeld in de kerk niet goed meezong of zat te wiebelen dan kreeg je een kneepje van vader. En elk kneepje was een tegoedbon voor een tik met een knaapje na de dienst. De kleerhanger werd ook gebruikt als je te laat kwam, te hard sprak, niet onmiddellijk luisterde, de luilak uithing, door het ijs zakte terwijl je nog zo gewaarschuwd was of ruzie maakte met je broer terwijl híj begon. Regelmatig werd zo’n hanger kapotgeslagen op je hoofd, kont, rug of hamstrings. Mocht je een nieuwe betalen van de paar kwartjes zakgeld die je kreeg.

‘Wie is hier bang in het donker 

Nou, hij is het zeker niet

In het donker lijkt alles wel anders

Maar dat komt alleen

Omdat je niets ziet

Kijk maar, kijk maar, kijk maar.

Het is een wedstrijd, het is een wedstrijd, 

het is een wedstrijd, die je niet winnen kan.’

Ik heb mijzelf nooit een mishandeld kind gevoeld. Al weet ik natuurlijk niet precies hoe een mishandeld kind zich voelt. Toen ik jong was dacht ik dat elk kind van tijd tot tijd een pak voor zijn broek kreeg. Trouwens, toen ik kleuter was, was ik ervan overtuigd dat alle papa’s blind zijn. Jonge kinderen ontlenen hun perspectief van wat normaal is aan hoe het er thuis aan toe gaat.

In mijn puberteit was ik uit principe het nooit met mijn ouders eens. Het slaan was een klein onderdeel van het verfoeilijke gedrag van de mensen waar ik me met overgave tegen verzette. Hun wanstaltige smaak qua muziek en kleding was vele malen erger. Later, als jongvolwassene, kon ik begrip opbrengen voor deze maatregelen. Een groot gezin waar van alles aan de hand was. Mijn moeder die de staat van overspannenheid praktisch had uitgevonden. Bovendien vond ik het allemaal wel meevallen. En ze bedoelden het niet slecht. ‘De Heer kastijdt wie Hij liefheeft, zoals een vader zijn zoon waar hij van houdt.’ Dat staat in de Bijbel. Hoewel mijn moeder zeer bedreven was in het edele ambacht van de lijfelijke kastijding, toonde ze net zo goed haar liefde voor ons in woorden en daden.

De beste indicatie van mijn váders liefde, was het feit dat hij mij van tijd tot tijd een flink pak op mijn lazer gaf. Bovendien waren ze de enige ouders die ik had. Inwisselen kan niet. En er zijn een hele hoop kinderen die het vele malen slechter hebben gehad dan ik. Dus. Het ontwijken van afgewaaide takken en panikerende medeweggebruikers is gelukt. Kaas en ik zijn nu bijna thuis. Op de radio zingt Bram het met heel zijn wezen voor ons uit.

´Het is een wedstrijd, het is een wedstrijd.

het is een wedstrijd, die je niet winnen kan.

 Het is een wedstrijd, het is een wedstrijd.

En het gaat maar tegen één man.

 

Papa, kijk dan,

papa, kijk dan,

 papa, kijk dan naar mij.´

Kaas en ik parkeren de auto voor ons huis en ik haal de sleutel uit het contact. In het huis is het donker. Er is niemand thuis. Logisch want wij zijn er nog niet. De afkoelende motor tikt nog na. De regen geselt het dak van de auto. Ze vormen samen een opzwepende ritmesectie die samenvloeit met de muziek en het laatste refrein van Bram.

´Papa, kijk dan, papa, kijk dan,

papa, kijk dan naar mij

En toen die eindelijk keek

Was alles al voorbij.´

Als Bram zwijgt rennen we door de regen naar ons huis. Binnengekomen, snak ik naar een kop hete zwarte koffie. Ik laat de espressomachine het werk doen. Als ik met een volle mok in mijn favoriete stoel ga zitten, springt de vochtige en naar bos en verrottingsprocessen stinkende Kaas op mijn schoot. Dan denk ik nog even aan de eenzame man in het bos. Hij zou ook een hond moeten nemen. Die schoppen je nooit de deur uit. Ik realiseer me nu dat ik nog maar hoogst zelden aan de lijfstraffen denk die wij als kinderen kregen. En meestal gebeurt dat als ik mijn broers en zuster ontmoet. En dan doen we er lacherig over en imiteren we de rare trekjes van onze vader. Dat wordt dan een avondvullend programma. Maar kindermishandeling? Daar was geen sprake van. En ik kan me binden als de beste. Vraag dat maar aan Kaas. 

Blijf op de hoogte!

Ongeldig

Ongeldig